Zaterdag 14 december 1918

Regenachtig, alles nat, maar warm weder.

De President Wilson is heden verwacht in Parijs. De koning heeft zondag de aartsbisschop te Mechelen bezocht en hem het groot Lint der Leopoldsorde zelf gebracht.

Er is veel gepraat dat Limburg Luxemburg Zeeuwsch Vlaanderen en eenige duitsche streken Eupen St. Vith bij België gehoord hebben en er bij zullen kooomen (woorden van de minister zegt men).

Gisteren schreef ons nog een kameraad van Josef uit Brugge, die zijn dood nog niet bekend was, een soldaten nieuwsbrief.

Vandaag schreef W. Maenhaut uit Hansbeke aan den secretaris een kort briefke waar in zij stelde dat op haar hof gestorven was Jos Van Nueten. Verzoeke de familie te verwittigen om alle nuttelooze opzoekingen te voorkomen, hij is hier ook begraven. Dank brave vrouw.

De melkkoeien zijn zeer duur 3200 tot 3500 fr verkoopt men er, men durft 4000 fr vragen.

Vrijdag 13 december 1918

Regen, warm, overal nat.

Vital en Hortence vertrekken. Marieke blijft bij ons.

Er zijn rekenplichtigen in het Comiteit gekomen, er komen weer veel veanderingen voor. Deze bedeeling zal nog een jaar duren. Vandaag daar voor vergadering te Antwerpen, Docter en C. Vermeulen gaan er naar toe.

Er was een inzamelaar in de gemeente gewkomen die voor goede werken inzamelden, maar in mijne afwezigheid toelating gekregen hadt (secretaris). Ik zag er bedrog in, hij nam 30 tot 50 mark aan, gaf een zinken plaat met den koning, en liet 30 % voor het comiteit in Meerle bedroegd dat 1355 fr ( er is een onderzoek door procureur geopend).

Wij lezen in het Heybloemeke van 1918 van de hand van onzen zoon Josefs, een klein apostel.

Liefde voor mijn streek

De doornhagen botten bleek groen, en gooien sneeuwwitte bloemekens op ’t nog grauwe winterzicht. De Leeuwerik zit al op den klot en als het lentezonneke uitpiept fladdert hij tierelierend ten hemel, om ales een pijl in de tarwesprietjes neer te schieten.

Heel de natuur ontwaakt, en lacht ons vriendelijk toe. ’t Doet zoo ’n deugd in ’t wijde veld te dwalen, waar ’t zoo vreedzaam is. ‘k Doorliep zoo veel lachende houtkantjes, zoo veel frissche velden en weelderige weiden, maar nooit nooit kon een hoekje weegschalen tegen de uitverkoren hoekjes mijner streek. Nergens botten me de doornhagen zoo geurig als rond onze rechtgeknipte dorpshoven, nooit zong me de leeuwerik zoo lief als boven onze donkergroene korenvelden, nergens zweefde de grijze fluiter lijk boven onze slapende heidevennen. Altijd was het lichaam hier, altijd de geest ginder, de liefde voor mijn streek.

Gedurende deze woelige oorlogsjaren, wierf ik ten allen kante trouwe vrienden aan, maar geen was voor mij de maat uit mijn dorpsjeugd. Wat een innig gebabbel als men bij mannen loopt; heel de plezierige jaren rollen er door. Wat een deugd als de trouwe vrienden brieven uit “facteurs” kas rollen: duurbaar nieuws uit ‘t beminde dorp. Wat pijn wat steek in ’t vrienden hart wanneer de onverbiddelijke dood ginder een onzer makkers wegmaait, bloedigen Ijzer een dood verhakkelen, een die streed voor zijn land.

Nooit lag me iets zoo naauw aan ’t hart als mijn heide; nimmer bloos ik er voor. ‘k Lief mijn moederstreek.

Jef Van Nueten.

Louis Havermans van Meerle

Op 1 april viel Louis Havermans voor zijn land. Werkend aan de frontlijnen, stak hij op een gedolven granaat, die ontplofte en hem deerlijk kwetste. Hij bezweek in den verbandpost en werd den 1ste april begraven op ’t kerkhof van de Panne. Wederom een wreede slag voor zijn moeder, de weduwe Havermans, reeds meermaals dat beproefd! Ze zag haren Louis zoo geerne: meer dan eens had zijn in 1915 uit ’t diepste van haar moederhart gezegd: Louis blijft bij mij. Maar Louis was op een vroegen morgen met kameraden, langs kronkelende paadjes, de meet overgetrokken. Siinds zwoegde hij onafgebroken in de killigen Ijzergrond en hoopvol wachtte hij naar de belooning van zulk hard leven. Wederom bij Moeder zijn ’s morgens vroeg den fiets op, naar ’t werk en ’s avonds, den kop op ’t stuur, snel huiswaarts. ’s Zondags met ’t muziek uitgaan, onze innige Kempen feesten vieren —— edoch onverbiddelijk heeft de doodzeis zijn jeudig leven weggemaaid. Zijn werk zal hij niet oogsten, anderen zullen maaien hetgeen hij zaaide en daar om moeten al die gesneuvelde helden gehuldigd worden: ze vielen voor de vrijheid onzer weleer zoo vrije dorpen.

Zoo sneuvelt altijd aan, hier en daar een koene Kempenzoon, en velen zullen ontbreken, als het nog eens vrede zal zijn in onze streek.

“ze vielen zo talrijk, de trouwen

op ’t akelig veld van den dood

Aan wien eens de Kempische gouwe

Een wieg en een hardstede bood.”

Rust zacht, beminde Louis in de killige aarde voor de welke gij zoo geleden en geschreven hebt, voor de welke gij gevallen zijt. Slaap rustig uwen laatsten slaap, verre van uw stillen dorpstoren, in den bonten kruiskensgroep van een afgelegen heldenhof.

“En wiegende winden die ruischen

door ’t riet van ’t verwilderde veld

ontcijferen op talrijke kruisen

den naam van een Kempischen held.

Mei ’18. Jef van Nueten

Droomen

’t Oude spreekwoord zegt: “Droomen is bedrog”, maar dikwijls lekt er uit onze droevige slaaptafereelen een greintje waarheid: kan het waar zijn!

Een der voorbij gevlogen nachten droomde ik dan van onzen terugkeer in ’t duurbare Kempenland. In volle lawaai stonden we dicht tegen een, op platte goederen wagens. Onder ’t scherp fluiten van den stoomenden tram renden w’ons zoo lang verlaten dorp binnen: ’t was een wimpel, een bloemenkrans. Heel de […] kern der gemeente was daar: de gemeenteraad in zwart gelegenheidspak stond deftig in het midden; de dorpsgilden, met wuivende banieren en rinkelende medalie stokken vormdden kleurrijke rondens.

Vier struische ruiters, op broezende paarden, wiegelden zwierig weg en weer in de fladderende plooien van hunne schitterende wimpels. Witte maagdekens, met wit gestrikte lintjes in de gekrolde lokken, roemelden tusschen die bonte dorpschaar. Achteraan tegen de huizen stonden frisch ontloken meisjes die, licht blozende, hoopvol de terugkeerende jeugd tegenlachtten.

Wild sprongen we in dien krioelende drom, en , eens midden onzer eigen vlottende natuurplaats, waren we geschokt als door een magnetischen stroom en een waas van geluk zijn en voldoening verduisterde onze bevochtigde oogen. Half nog zagen we de leden van den gemeenteraad armzwaaiend stilte vragen, maar onder de jubelkreten, die luidkeels ons de mannen tegengooiden, onder de gulhartige groeten die de deernen ons te gemoed wierpen, onder de geurige bloemen die, uit hun gevlochten biezen korfjes, de maagdekens rondstrooiden, drong ons die vervoerde menigte als bang dat w’haar weer zouden ontnomen worden, onweerstaanbaar naar de Kerkstraat.

De rechte straat scheen langs beide kanten als met twee driekleurige reuzen tapijten bespannen, lief gevlochten loofkransen omlijsten lachend de vensters waaruit de kleine kinders, vol verwondering, en de goedige moeders, weenend van aandoening, dien grootschen stoet aanschouwden.

Statig, als reuzen die rustig ’t gewoel van dat vierende volk bekeken, prijkten de indrukwekkende praalbogen in hun dichten mastendos. Diepzinnige lofspreuken wenschten het welverdiende welkom toe aan de jeugd die weerkwam uit ’t gedwongen zwalpersleven. Eensklaps vlogen wild uit de galmgaten de gemengde tonen der toren klokken en ————– dwaas schoot ik wakker. Met strak, wijdopen gespalkte oogen lag ik op mijn strooizak. ’t Was al klare dag: de zon goot haar eerste goud op onze grijze dekzeilen. Nog maar half wakker en maar half overtuigd van de werkelijkheid, voelde ik met beide armen rond en tastte langs den eenen kant op mijne “gourde en brood” en langs den anderen op ’t knorrend gezicht van mijn slaapmaat. Driftig draaide ik me om, en kroop terug onder mijn deken.

“Is droomen werkelijk bedrog?”

Jef Van Nueten.

Het Heibloemeke van Sept. 1918

In de Gazet van Hoogstraeten van 15 Dec. meld men de dood van onzen zoon en ook de dood (burgerstand) van Emile Van Rooy te Veurne op 20 January 1915, zijn vriend en studiemakker te Leuven.

Donderdag 12 december 1918

Regen geheel den dag.

Gisteren moest Vic komen naar onderzoeksrechter en vandaag Guisson ontvanger. De aangehoudene blijven weg.

Er waren persstemmen dat Limburg en Zeeuwsch Vlaanderen moest komen. Men houdt betoogingen er tegen in Limburg, en men schrijft er veel over in de couranten.

Er komt verandering aan denk ik in Holland.

Wij stellen vandaag doodsberichten op voor onze Josef, op 23 dec. den dienst. De tekst van het beeldeken maakte Pater Gardiaan van Beeck onzer vriend en oude kennis.

Woensdag 11 december 1918

Warm nat weder.

Er is weinig nieuws.

Er komen vele mannen, om velo te rijden en op reis te gaan. De gendarmerie ziet er niet naar. Er is veel gevraag om vee, er worden er veel verkocht, allen voor Vlaanderen, bijzonder melkvee, de boter is 12,50 fr. de kilog. er is er weinig, de eyeren zijn 1 mark.

Postdienst gaat nu regelmatig, het post is maar 10 centimen, zoo is het al geheel de week. Rijn Westfalen Keulen en Aken wilden een republiek maken, dit volk is katoliek.

Ik wandel met Vital rond. Watermolen Elsakker.

Maandag 9 december 1918

Hetzelfde nat weder.

Ik weet weinig nieuws. Er is eene bijeenkomst geweest te Keulen, eene vergadering geweest om een Rijns Westfaalsche  Republiek te stichten, alle partijen hadden er genoeg mede.

Men vraagt inlichtingen voor Procureur voor A. Van Den Heyning, De Meester, Broekmans, C. Jespers en nu is Antoon Antonissen nog aangehouden. Victor Rommens moet morgen woensdag naar den onderzoeksrechter en donderdag M. Guissons den ontvanger. Alles over den smokkel handel met de vijanden.

Wij lezen schoone verhalen van onzen Josef in het Heidebloemke, nog al goed geschreven.

Zaterdag 7 december 1918

Goed weder.

De Belgen liggen in Aken en hebben strenge maatregelen voorgeschreven, juist zoo als de Duitschers hier in Belgie deden.

Onzen Duitschen Czaar Leutenant Schmiele is van de landweer, Neuss. Het volgende lezen wij in de Gazet van Hoogstraeten, die in oorlogstijd niets durfde zeggen, van dat er in Hoogstraeten gebeurde, dus ook een eerste bange haas of spilzak.

“Op December heeft de Belgische 3de brigade ruiterij de stad Neuss bezet. Dit bericht herinnert ons de duitsche bezetting van den Landsturm Neuss, die we hier in 1916 hebben gehad en waar van de spion-dictator Schmiele van onzaliger gedachtenis deel uitmaakte. Onze mannen zullen nu toonen dat ze ginder ook passen kunnen geven.”

In Meerle is Schmiele 3 jaar verbleven op het Santvliet van Ms. Dupret, en gaf daar de passen bevelen aan Meerle, Meer en Minderhout. Wij noemen hem in het genipt de Baron van Santvliet.

In Engeland heeft een schoone intime zaak zich voorgedaan. Gewezen Keizerin Eugenia weduwe van Napoleon III 92 jaar heeft te voet steunende op hare neef Prins Napoleon en zijne vrouw Clementina dochter van Leopold II eene bedevaart te voet (wilde dat zoo hebben) gedaan naar het graf van haren gemaal en haren zoon Louis, op 20 jarigen ouderdom in het Eng. Zoulou land gevallen, om daar te bidden en ook hun de tijding te brengen dat Frankrijks onrecht hersteld was dat de Elsas en Lotharingen met het moederland vereenigd waren, en dat de oude fransche eer ongeschonden was wedergesteld. Nu kan ik sterven.

Vrijdag 6 december 1918

Goed weder.

De aangehoudene smokkelaars hadden in Turnhout allen de koorden aan, ze zijn niet te huis gekomen.

Vandaag om twaalf uren kregen wij eenen S.M. Militaire brief aan Mijnheer Van Nueten.

Het was de zoo lang verlangde tijding, maar helaas ze was zeer droevig.

Uit Aarschot schreef ons een kameraad van Josef, dat er nu weer correspondentie was en dat hij de belofte die zij elkander gedaan hadden ging vervullen. Voor het optrekken naar het slagveld, bij het laatste offensief, hadden wij elkander beloofd ingeval van ongeval onmiddellijk de familie te zullen verwittigen en dit volbracht hij nu.

Uwen zoon Josef, mijn beste kameraad sedert onze kennismaken van Dieppe, is op 23 october om 3 ½ uur te Hansbeke in eene weide door een obus getroffen aan de linkerhand en arm en aangezicht, en zwaar in de borst getroffen, waarna hij onmiddellijk is gestorven, op slag dood. Er was geen tijd om hem op een kerkhof te begraven, wij hebben zijn graf met bloemen versierd, een kruis met naam, er de naam ingehard, en in eene flesch met zijn naam in het graf geborgen. Ik za UE persoonlijk een bezoek brengen zoo haast ik een verlof kan bekomen.

Een brave trouwe kameraad, hij beschrijft mij nog dat het graf ligt op de weg van Hansbeke naar Bellem in een weide op den linkerkant, waar in een huis staat, Veldstraat 22.

Ik zal trachten een plaats op het kerkhof te bekomen, voor mijn betreurden zoon, te vroeg op 30 jarige en 4 dagen gevallen op het eereveld en voor Recht en Vaderland. Onze harte bloeden, maar wij troosten ons gods wille geschiede, alhoewel wij hem zoo gaarn, na 4 jaar en 3 maanden strijd op den dageraad van den vrede (15 dagen ervoor 11 November) te moeten vallen, in en door vreemde handen begraven, verre van uwe heimat waar wij allen zoo vele dagen ongeduldig uit zagen, nu wij van alle kanten en dagen alle de soldaten wel varend zagen wederkomen, en in zeer goeden toestand, welvarend in vleesch en bloed. Zonder te morren nemen wij de besluiten der voorzienigheid aan, en verhopen voor hem als martelaar voor Godsdienst, Recht, Vaderland, te vallen hebben voldaan, en reeds hun eeuwige vaderland bewoonen om het nimmer te verliezen. Zoo schreef Monseigneur of Eminentie Mercier van Mechelen over de gevallen soldaten, RIP.

Bij alle deelneming spreken allen lof van Josef, en ook de leden der harmonie zijn allen droevig voor hunnen kloeken medeburger.

Wie was hij. Een slanke rijzige levenlustige jongen, altijd bereidwillig om ieder een dienst te bewijzen, ja tot te veel opoffering bereid.

Hij hadt zijne humaniteiten gedaan en het St. Josef Collegie te Turnhout, in het lot gevallen, een jaar uitgesteld geweest voor zwakte, toen 2 ½ jaar actieven dienst gedaan en daar na ruim vier jaar vechtsoldaat. In zijne jeugd was hij een klein zwak manneke, maar op groote (18 j.) is hij met levertraan te nemen tot een groote man (1,70m.) op gegroeid en was een kloeke gaander, en sportman. Hij was een uitstekend musikant en een beste zanger. Wij herrineren ons nog altijd zijn lied. Aan de katsboch neer gevallen verstikt hij in zijn bloed, maar een klank van victorie vlug dien sterven franschen soldaat in het oor, en hij neemt zijne trompet en zijn laatste adem blaast hij over de velden: Victoria, victoria, victoria, en hij valt stervende neer. Dien hadt zijn plicht gedaan. De Vlaamsche Leeuw kon hij ook forsch zingen, hij was een goede tooneelspeler, en kon zeer goed diclameeren zoo als in de zaal. De stervende jongeling van Van Beers, en andere.

Hij was een liefhebber van pluimvee en duiven en kende goed de rassen, hij won nog prijzen op ten toonstellingen en vluchten. Zoo ook naar honden.

Een ieder betreurt hem.

Donderdag 5 december 1918

Schoon weder, zon gezien.

Ik schrijf vandaag aan de Chef de Musique van het 20e leger dat nu rond Herve ligt of misschien al in Duitschland. Ik zal brieven mede geven naar Le Havre, meer nieuws weten wij vandaag niet.

Ik lees in het Handelsblad dat er vele worden aangehouden die betrekkingen hebben gehad met de Duitschers bijzonder de handelaars.

Gustave Van Nueten komt ons vandaag bezoeken, hij weet niets van Josef. Hij vertelt ook vele voorvallen uit Zoersel.