Zondag 17 november 1918

Dees vroolijke dag, dees gouden dag, is ten laatsten eens op gegaan. Wij hooren de zilveren vrede trompet, de vrede uitblazen. Wij beleven het geen wij naauwelijks gelooven namentlijk het gewenschte einde des eeuwigen oorlogs, die de gansche wereld kloot, met zich omtrok, en in een gedurge bloedkoorts en onrust hield.

Vondel in 1647.

In Holland leven ze ook in onrust, de socialen willen ook een soldaten en boeren raad, en beloeren een republiek te stichten. De socialen zijn er nog al sterk, maar zijn wat verdeeld in christelijke socialen en Roomsche democraten. Men gelooft van niet lukken. Het Congres moet te Rotterdam gehouden worden. In de redevoeringen te Amsterdam gehouden zegde men onder andere:

Het kostelijke dierensoort zijn in Europa uitgezaaid (Keizers). Het militarismus is dood, en hier komen ook veranderingen. Men wil de Koningin weg, en het algemeen stemrecht ook voor vrouwen, acht uren werken, ook de werkeloosen betalen, in alle man pensioen, maar wie zal het al betalen zegt het liedeke. De boer.

In Meerle is het de laatste nacht kalm gebleven, de laatste, Sus Van Gils, is ook gaan loopen.

Vandaag was het Te Deum, en na de mis speelde en zong men het Vlaamsch volkslied. Er zijn geruchten in omloop dat de laatste dagen nog gevallen is Jozef Adriaansen (doorstreept: Gijsbrechts), Zoon van Cees, ook Pere Aerts zoon van Jan Aerts is na gekwetst te zijn in het hospitaal overleden, RIP.  – is al [patroeleurs?] alleen in eene hoeve dood gebleven. –

De vlaggen hangen al acht dagen uit. Er komt van alle streken volk over, bijna gelijk eene kermis, er ook er gaan vele Meerlenaren hunne familien op zoeken. In Hoogstraten verbroederde de Duitschers met de burgers, als voorbeeld: er kwam eene compagnie 300 man bij een op het Seminarie, en de studenten alles met een drie kleeurig lintje, riep Hae, Ha, want die stonden ook in gelid met een Belgisch vaandel. Daar defileerde de Duitschers neven allen met het geweer om laag, ieder die de Belgisch drij kleur voor bij ging zette iedere soldaat zijn kepi af en groeten het vandel.  Toen veranderde de stemming en het was Bravo, leve het Duitsche volk, Leve de vrede.

Met volle muziek zijn ’s nachts uit Hoogstraeten vertrokken.

Alle de soldaten die in Hoogstraeten lagen waren socialen, en deden niets last, en leefde onder geen Keizers of Leutenant weg met alle de bazen allen broeders en naar de Heimat.

Wij in Meerle hadden tot laatst van het oude regie. Ijzeren tucht voor hen maar ook voor de bevolking.

20 uren voor hun vertrek namen ze nog passen af van 12 jongelingen te Meersel, en 4 uren voor hun vertrek gingen ze noch de patroulie in de Kerkstraat en schoten nog vele schoten af. De huizen van hunne vrienden waren juist een halve uur te voren gesloopt dus hebben ze het nog gezien. Dat weten ze nu nog.

Ik verneem nog uit Hoogstraeten, dat men bij de bestorming een man aangehouden hadt op aanduiding van notaris Gilles en secretaris Van Hoek. De camaraden van den aangehouden, pakte Gilles en Van Hoek bij de keel en los onze cameraad of U zijt een man des dood. Maak en laat hem was het antwoord. Verstralen maakte als toeschouwer eene kleine opmerking. Scheid er maar uit, genoeg genoeg. Waar woont hij vroegen de belhamel, en men wees het huis, hij hadt eene porselein winkel, maar alles sloeg men stuk. Ze waren ontembaar en gaan voor niets terug.

In Westmalle is eene Melkerij geheel afgebroken. In Weelde spreekt men van 25 wooningen. Bij de inhuldiging van den koning in Gent, rande met de menschen aan omgang hadden met de Duitschers, hunne meubelen en hoof wierd verbrand voor de deur, en waar de meisjes bevried geweest waren met de Duitschers sneed men de haren af, ontkleede ze en leide men zoo naar het water door de stad. Woeste tooneelen maar naar 4 jaar oorlog zijn de zeden ruw geworden. In Loenhout was er al een belgische soldaat in verlof voor een dag, en vandaag zijn er al in Hoogstraten en Meer.