Vrijdag 4 april 1919

Weder blijft maar koud, vriest ’s nachts.

Vandaag zoo als alle weken sedert den oorlog waar van ik maar 2 zittingen afwezig was, is er een brief voorgelezen dat de hulp en bijstand van af 6 april gedaan is, en dan weer opgedragen aan de gemeente en bestuur. Ik heb een voorstel gedaan aan de onbezoldigde die veel diensten bewezen hebben eene belooning, een present, stok, pijp, horlogie, keting te schenken. Als verrassing en ongegrond  kregen wij eene rekening van 31 maanden à 60 fr. van den ontvanger 3060 fr. Hij hadt ontvangen ruim 500 fr. maar doctor nam die rekening aan, ik en de andere leden stemden niet toe, er was nog eene vergoeding schuldig van af november hier voor stelden wij voor voor alles goed te maken om 500 fr. te verleenen, aan hem en de secretaris.