Maandag 14 april 1919

Smorgens schoon weder, zelfs zonnig, om 5 uren vertrekken wij met ons drijen, met twee chauffeurs, eerst over de Schelde, dan zoo naar St. Nicolaas Gent, om rond 7 ¾ te Hansbeke aan te komen. Wij begaven ons naar den secretaris, een beleefd gedienstig man die ons mede nam en ons op het kerkhof de graafplaats van onzen Josef aanwees, die ook de grafmakers verwittigd hadt, en die onmiddellijk hun werk konden beginnen.

Noord oostelijk van de kerk in de buitenhoek, lagen 5 of 6 Belgische soldaten begraven, op drij graven waren al definitieve groote houten kruisen geplaatst, op het graf van onzen Josef stond een kruis gemaakt van twee masten planken 0,12m breed, 1 meter lang, 0,60 m. l., met een opschrift Josef van Nueten, musicien, né à Meerle, Octobre 1888, mort pour la patrie a Veltstraat (Hansbeke), zoo lag er nog een graf van een soldaat en dan nog 3 à 4 waar al definitieve schoone kruizen waren opgestoken, die zullen blijven liggen, op die graven waren bloemen geplant en ook verdroogde kransen gehangen, op dat van onzen Josef stond een Redendrom plantje, van M. Maanhout.

Het is een akelig en aandoenlijk oogenblik als men zoo een zoon terug vindt naar 4 jaren afwezigheid.

Toen reden wij naar de Veltstraat, bezochten de familie Maenhoudt, die plaats waar Josef gevallen was en de muren gezien waar de stukken der bom ingeslagen waren 7 à 8, ook een kleine raam 1 meter hoog was er uitgeslagen en verschillende stukken in de deur en deurstijlen, ook doorne planten uit eene haag waren doorgeslagen, de bom was gevallen op 5 meters afstand van Josef. Ze hadden beschutting gezocht tegen dien gevel, en daar over viel juist de bom. Later vond men daar zijn lijk in duikende houding, en hij bleef daar ter plaatse nog een dag liggen. Het huis was vol van gewonden, doctor en helpen. De heer doctor hadt nog geen woord gesproken aan de inwooners, maar na den val, kon hij vlaamsch en vroeg: hebben ze geen kelder en daar kropen ze in, en na de kalmte trokken ze terug.

Josef is begraven geweest in den bogaard voor het huis, met vier andere lijken, in zijne tenue zonder kist nog dekking op het aangezicht en daar opgegraven in zinken en eiken kist gelegd door de zorgen van Vital. Het aanzicht was toen al onkennelijk, maar anders was het lichaam goed bewaard en stijf, toen is het half december op het kerkhof te Hansbeke begraven geworden. Alles was goed en schoon gebleven de ornementen der eiken kist blonken, het was omwonden geweest met strooi. Er was geen de minste reuk te bespeuren, zelfs toen het te huis ook stond.

Wij kwamen van de Veltstraat terug toen was het lijk opgegraven, men laade het boven op den auto, wij gingen de secretaris bedanken, de onkosten betalen, en vertrokken rond 10 ¾ uur naar Antwerpen over Gent, waar wij aankwamen aan den overzet (maar moesten daar 1 ½ uur wachten) om 1 ¼ uur, zoo dat  2 ¾ uur was eer wij konden vertrekken uit Antwerpen, daar laden wij Vital op die mede naar de begraving ging en kwamen aan te Meerle omtrent 4 ½ uur, bij de terugtocht was het regenachtig en koud, nat. Het lijk werd in onze beste kamer gezet.

Mijn. Dupret en Madame Faes en eerw. pastoor kwamen het groeten. Na gezamentlijke gebeden te hebben en onder het luiden der klok gebeurde het in huis brengen.

Hier volgen eenige indrukken der reis.

In Antwerpen was er veel beweging rond de statie, café en cinemas waren bezet, de straat was vol beweging, muzieken trokken uit. Vele Engelsche soldaten in hunne bruine kakki schotten hun hunne eigenaardige kleeding. De muts scheef op het hoofd, den eenen kant gelijk een slaapmuts nedergetrokken, gewoonen jas, eene korte broek die onzichtbaar is, dan een fijn geploeiden rok in bruine stof die komt tot boven de knieen, die bloot blijven tot aan de kuiten, dan een paar schoone getten en schoenen. Dan liepen er eenige franschen in hunne lichte grijze tenue, zeer proper, en dan onze Belgische soldaten met hunne pikmuts, pots met eene pluisje voor den kop, in kleur en zilver. De Engelsche zijn vlug lendig, wel gemaakte mannen, nog groot. De schotten en Franschen zijn maar van kleine gestalte. De Belgen zijn twee beiden en hebben alle een goed aanzien, zijn goed in vleesch en bloed.

Van den oorlog ziet men niets meer in Antwerpen. Toen wij de Schelde over waren, begonnen wij al eenige loopgraven te bemerken, en in de voorsteden van Gente eene groote partij serren met hooge schouwen voor termissifens vervroegde asperge velden ook eenige serren die geheel waren vernield van vliegmachienen, en in de stad zelf geen spoor van oorlog te bemerken. Eenige kilometers buiten de stad Gent waren er sporen van oorlog te zien, en aan de huizen omgehakte boomen, ook afgeschoten, en onbewoonde huizen, Mariakerke, Loochristy, Belcele, overal verwoestingen, alle de bruggen der vaarten en rivieren opgeblazen en daarneven lage nieuwe in hout gemaake bruggen, het vervrongen ijzer was meest opgeruimd, maar het steenwerk, en arduin waren in het water en vernield, er waren in die groote vaarten geene schepen te zien. Wij bereikten Hansbeke’s grondgebied en daar hadt de strijd 12 dagen geduurd. De Duitschers hadden zich voor Gent verscholen achter het kanal van Dijnze Gent, daar lagen windmolens verbrand, allen de ijzeren roeden en assenkoppen waren zichbaar, verbrand de restant, steenen rompen van molens vertoonden zich in de verte, ook er waren nog al vele in werking die gespaard waren, maar daar was geen enkel huis of gebouw dat niet geraakt was, daken met strooi gestopt, hoeken muren uitgeslagen, en nog bewoond, eenige al afgebroken, en de meesten niet meer bewoonbaar, alle de pannen en daken opgeblazen, de zolders ingevallen, ramen en deuren uitgerukt, plafonds en zolders ingestort, gaten door de gevels, schouwen ten gronde, in sommige gevels en muren met honderde gaten, alle boomen ontschorst, de takken en toppen uitgeschoten, sommige stammen half doorgebeten, gevulde putten in de akkers, men kan zich geen gedacht maken hoe er nog een mensch kon blijven of gespaard zijn. De kerkhofmuren ten grende af, de ijzeren afsluuiting vervangen en afgerukt, liggende en stande kerkhof denkteekens in arduin omgewoeld en de staande doorgeslagen. Den toren der kerk 56 meters hoog opgeblazen twee dagen voor de wapenstilstand, allen de geschilderde ramen uitgeslagen, twee waren nog eenige stukken gekleurd glas zichtbaar, de muren beschadigd in twee bommen, een op de koor het steenen welfsel doorboord en een kunststuk van communiebank vernield van 1713 toen eene op den orgel, ook een kunststuk geheel vernield, den preedigstoel is weenig geraakt dit is een meesterstuk van Geefs van Antwerpen met vele uitdrukking, een zijner beste werken. De toren is met dynamiet opgeblazen, muren meer dan een meter dik zijn tot in den grond doorgescheurd in alle zijden en hoeken, staat nog 5 meters hoog. Het andere is nog ten deele in kerk en kerkhof gevallen, op geheel de kerk geen enkel schalie meer, nu ten deele met papier dicht gemaakt, de ramen met hangende zakken, losse planken en deuren gestopt maar wind en regen blazen er de kaarsen uit. De statie was ook geheel verwoest, onkennelijk, de pastorij scheen buiten niet geraakt maar daar is binnen eenen bom ontploft en alles kort en klein geslagen. De secretaris woonde in een ander huis, zijn eigen huis was onbruikbaar.

Op het gemeentehuis waren 6 bommen gevallen, bleven op zolder en tweede verdiep liggen, een enkel viel door het plafond maar ontplofte gelukkig niet.

De inwooners van Hansbeke waren wel gevlucht, maar veel te laat. 8 zijn er op slag gedood,  22 van verwondingen, schrik en ander gestorven en op eene maand waren er 80 overlijdens. Een meisje gedood tusschen te andere, een herder gedood met zijne twee kinderen aan de hand en dan wat stofelijke schade bij het zuidelijke door die inwooners van Hansbeke en omstreke. Het grootste deel der inwooners en vee was meest in Alter gevlucht dat lag buiten de Duitsche vuurlijn. Wee hen die de oorlog verklaren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *